Brief 54 pater Hans Burman

Brief 54

Beste Vrienden,

Hier is allereerst een vraagje dat jullie kunnen overdenken bij het lezen van deze brief. Wat is het voordeel van een overheidsgebouw van 11 verdiepingen dat geen lift heeft? Vorige week ben ik uit eten geweest met twee Nederlandse meisjes van rond de twintig die via de organisatie Dare2Go (vroeger Jongeren en Missie, nog vroeger Missie en Jongeren) een aantal maanden in onze programma’s meedraaien en in ons Nyalenda Centre logeren. Je mag wel zeggen dat we doorlopend bezoek hebben van die groep jongelui, en ik probeer steeds om zo nu en dan eens met hen te kletsen. Ook om zelf op de hoogte te blijven van de opgroeiende Nederlandse generatie. Mijn overwegende indruk is dat het bijna altijd vriendelijke, geïnteresseerde en goedwillende jongelui zijn. Maar waar ik wel aan moet wennen is dat ze bijna niks meer van godsdienst weten. Ik vroeg de ene: “Weet je wie Abraham was?” Nee, daar had ze nooit van gehoord. “Heb je dan wel eens van Judas gehoord?” Nee, die naam zei haar ook niets. Hele leuke meid hoor, maar duidelijk opgevoed met de overweging dat religie onbelangrijk is. Ze was daar overigens helemaal niet trots op. Maar ik vind wel dat zo iemand nu gehandicapt is: ze kan niet meedenken over de toestanden in het Midden Oosten, in India, in het Verre Oosten, in Zuid Amerika, in Afrika. Praktisch over de hele wereld, zo zei een commentator op de TV onlangs, is het begrip “ras” vervangen door het begrip “religie”. Zijn dit nu de kinderen van de generatie van vijftig jaar geleden, die zei dat ze hun kinderen geen bepaalde godsdienst gingen bijbrengen, en dat die zelf maar moesten kiezen wanneer ze 18 waren? Die hebben nu in feite helemaal niets om van te kiezen. Bij het andere meisje was nog wat blijven zitten. “Ik laat mijn kinderen later katholiek opvoeden; dan horen ze veel leukere verhalen”, zei ze.

Ook Afrikaanse jongedames worden mij gegund. Vorige week was Christina daar plotseling weer. Tien jaar geleden toen ik nog pastoor was van de St. Josephs parochie, kwam ze geregeld binnenvallen. Te dik en helemaaal niet gelukkig: een akelige stiefvader, aldoor ruzie met de moeder, en geen vriendinnetjes. En een beetje verliefd op mij; ze kwam aldoor om postzegels. Nu was ze plotseling weer daar. Te dik en heel zachtjes pratend. Ze had twee kindjes nu: een van zes en een van twee. En de moeder? Die was met de stiefvader vertrokken naar het Kisi-gebied, ziek. Nog andere familie? Haar moeders familie woonde bij Mombasa in de buurt, ver weg. Haar vader in Mombasa had ze nooit gekend: al voor haar geboorte was haar moeder bij hem weggelopen voor een andere man; Christina was nog steeds naar haar vader aan het zoeken. En de vader van haar kinderen? Die wilde niks meer met haar te maken hebben. Hoe komt ze nu aan de kost? Ze verkoopt oliebollen op straat. Om half zes ’s morgens gaat ze daar zitten, tot tien uur, en dan ’s middags weer van vijf tot acht. Ze maakt oliebollen volgens een recept van haar oma, met nootmuskaat er in. “Hoeveel verkoop je er per dag?” “Honderdtwintig”. “En wat is je winst?” “Vijftig shilling per dag ( een halve Euro)”. “Hoe oud ben je nou?” “Vijf en twintig” zei ze. Tja, tja, Christina, neem nog een plakje cake; en wat bananen. Ze haalt een boekje uit de plastic zak die ze bij zich heeft. “Dat hebt u me vroeger eens gegeven”. Binnenin zit een foto van een jongeman. Dat is haar vriend, zegt ze, al een paar jaar. Ze had bij hem weer geleerd dat ze iemand lief kon hebben. Hij hield ook van haar en van haar kinderen. Hij wilde haar trouwen. Maar twee weken geleden was hij gestorven, vergiftigd door zijn stiefmoeder. Vorige week hadden ze hem begraven. Ze snapte niet hoe God zoiets kon toelaten. Ik heb haar bij het afscheid honderd Euro in de hand gedrukt, mij de vorige maand door een van jullie toegestuurd voor een goed doel. Wel veel, maar toch nog minder dan wat het mij vorige week gekost had om mijn e-mail-verbinding weer op gang te krijgen. Oh, nog even dat hoge gebouw zonder lift. “Het voordeel is”, zei mijn vriend die voor het OMA project geregeld naar de elfde verdieping moest, “dat de ambtenaren altijd op hun bureau te vinden zijn, want de reis naar buiten is hun te ver”. Heel veel groeten uit heet Kisumu (39 graden eergisteren).

Hans Burgman