Brief 51 Pater Hans Burgman

Beste Vrienden.

Van harte wens ik jullie allemaal een gelukkig 2015 toe. Traditiegetrouw heb ik de jaarwisseling bij Kizito gevierd. In zijn tuin zetten we dan altijd tentjes op, maar vanwege het feit dat ik onlangs 86 jaar geworden ben krijg ik nu een slaapkamer ter beschikking. Zes dagen heb ik me laten ronddrijven op het ritme van het keniaanse platteland. Er bestond geen tijd, anders dan hier in huis. Vorig jaar kwam onze baas een keer verstoord de eetkamer binnen en zei: “Is er nou iets met mijn horloge aan de hand? Het is al twee minuten over tijd voor het eten, en de mensen zijn er nog niet!” Bij Kizito liep niemand met een horloge om: tijd was wanneer er wat gebeurde of wanneer iemand wat deed. Op de middag van de tweede dag kreeg Kizito bezoek van schoonfamilie, Zes grote mensen en een dozijn kinderen. Hij had er op gerekend dat ze ’s avonds weer weg gingen; maar nee, ze bleven allemaal gezellig een dag of vijf. Van Kizito’s huis waren er ook al tien kinderen. Hij foeterde een beetje, maar nam het toch sportief op.

Voor mij was het een feest om te zien hoe ze allemaal met de kinderen omgingen. Eten met twintig kinderen? Op een tafel kwamen pannen met rijst, maisbrei, groente, witte kool en stukjes vlees; op de grond werd een groot zeil gespreid, alle kindertjes gingen zitten en ieder kreeg een bordje vol eten. Vorken en messen waren niet nodig. Smullen, mensen. Het viel ook op hoe er voortdurend gewassen werd: de handen voor en na het eten natuurlijk, maar het ganse lijf een paar keer per dag. “Ga je mee naar de markt?” “Ja, ik kom er aan, ik ga me wassen.” De kinderen zorgden voor elkaar. Nicole, 8 jaar oud, legde haar tweejarige zusje naast me op de bank en deed het een schone luier om. Hun moeder was een knappe jonge vrouw, met een bos aangevlochten haar zo groot als een paraplu. Om het haar in bedwang te houden bond ze er vaak een doek om. Ik zag dat zich geregeld op de kop sloeg. Ik vroeg of ze hoofdpijn had. “Nee,” zei ze, “het jeukt.” Mmmm. Vier kilometer het binnenland in was er een kerkje waar Kizito voor zorgde. Ik heb er twee keer een Mis opgedragen, op de Zondag en op Nieuwjaarsmorgen, en vijftien kindertjes gedoopt. Het kerkje was een modderen schoolgebouwtje waar twee honderd mensen ingepropt konden worden. Er waren geen banken, dus bracht iedereen zijn eigen plastic leunstoel. Dat leidde tot aparte situaties. Normaal laat je de lui wat op de banken inschuiven om meer plaats te maken, maar als ze hier inschoven namen ze hun stoel mee. Het was ook een typisch gezicht: door het hele landschap zag je mensen lopen met een plastic stoel op het hoofd: allemaal op weg naar de kerk. Zoiets kan leiden tot nieuw taalgebruik. Bijvoorbeeld. Als we over iets genants moeten praten gebruiken we vaak een eufemisme. Vroeger zei men niet graag dat een vrouw zwanger was, ze was “in gezegende omstandigheden.” Toen bidden voor het eten wat genant werd, noemde men dat in Twente “in de pet kiekn.” (De boeren droegen altijd een pet, en hielden die alleen voor het bidden even voor zich.) Naar de kerk gaan is hier nog niet genant, maar er dient zich toch zonodig al een eufemisme aan: “De stoel op het hoofd nemen.” De moeder van Mary Omoga, Kizito’s vrouw, was heel erg ziek, al wel een jaar; we hebben haar even bezocht. Ze zat in een leunstoel zachtjes heen en weer te zwaaien, zich van niets bewust. Het viel me op hoe mooi ze aangekleed was, hoewel we onverwacht langs kwamen. De grote kamer was schoon. Naast haar stond een tafeltje met daarop een groot dienblad met dingen voor bezoekers. We hebben even voor haar gebeden; toen moesten we gaan zitten en kwamen alle huisgenoten ons begroeten. Ons werden de handen gewassen waarna we vanaf het dienblad allemaal een kop hete thee en een bordje geroosterde pindas kregen. Met gezellig geklets. Het viel me op hoe rustig en beschaafd alles ging; en alsof er op ons gerekend was. Ja, beschaafd. De moeder was helemaal op, ik vond het roerend hoe er voor haar gezorgd werd. Ik was dan ook verbaasd de volgende dag te horen dat ze haar naar het ziekenhuisje in het dorp gebracht hadden: thuis sterven zou toch mooier zijn? De dag daarop ging ze dood. Na twee weken zou ze bij haar eigen huis begraven worden; tot dan ligt ze in de koeling van het kleine mortuarium. Toen trof me nog een gedachte. Als ze thuis was doodgegaan, hadden ze haar met een ambulance naar het mortuarium moeten brengen, en dat kost schatten geld. Zolang ze leefde was het autoritje naar het ziekenhuis goedkoop. Nou ja, met het uitgespaarde geld kunnen ze haar een deste mooiere begrafenis geven.

Hans