Brief 41 van Pater Hans Burgman

 

Brief41maart14

Beste Vrienden,

In een vorige brief heb ik mijn celibataire staat gerangschikt onder mijn kwalen. Sommigen keken daar van op. Laat ik het daarom een beetje uitleggen. Mijn ongetrouwde staat gaat terug op Jezus van Nazareth. Die vond dat religie overgeplaatst moest worden naar het hart van de gewone mensen. Om dat te bewerkstelligen wilde hij doordringen tot alle mensen zonder onderscheid. In de joodse samenleving speelde het huwelijk een belangrijke rol: iedereen had de plicht om te trouwen; niet trouwen was schandelijk. Maar de getrouwde mannen mochten alleen maar contact hebben met hun eigen vrouw. Om door die barriere te breken besloot Jezus om dan maar niet te trouwen. Daarmee won hij toegang tot de vrouwenwereld, tot in hun slaapkamers toe: hij had vriendinnen, ging bij vrouwen eten en discussieerde dan met hen over religieuze zaken (wat helemaal niet mocht), kreeg prostituees op bezoek, liet zich door vrouwen aanraken en raakte ze zelf ook aan, had vrouwen in zijn reisgezelschap die dingen voor hem betaalden. Die ongehoord vrije toegang tot vrouwen had wel zijn prijs: zijn tegenstanders scholden hem van wege zijn ongetrouwde staat uit voor eunuch, ontmande. Jezus nam dat over als een soort geuzennaam en zei dat sommige lui zichzelf inderdaad tot eunuch maakten terwille van het Koninkrijk Gods. Zo zie ik dus mijn celibaat: uit strategische overweging zeg ik vaarwel aan het huwelijk en alle op huwelijk gerichte romantiek, om ruimere toegang te krijgen tot de vrouwenwereld. Dat is me zo goed gelukt dat veel getrouwde mannen mij benijden. Maar het is en blijft wel een verminking. Ik moet toegeven dat deze visie op het celibaat (nog) niet wijd verbreid is: meestal wordt die gekoppeld aan een onderwaardering van het seksuele, en dat vind ik fout en bovendien Evangelie-vreemd.

Vorige week heb ik mijn driemaandelijkse bezoek aan de neuroloog in Nairobi gebracht. Ik had een afspraak gemaakt voor half elf; maar toen ik er kwam zat alles potdicht. Nadat ik drie kwartier had zitten wachten op een stoel in de nabije pediatrie-kliniek kwam de dokter aansnellen. Druk-druk. Hij had autopech: het knopje waarmee het raampje dicht zou moeten gaan weigerde; dus had hij een andere auto moeten huren; en nu moest hij snel met een monteur naar zijn kapotte wagen. Gelukkig gaf hij me een herhaalrecept voor een lading medicijnen; daar was ik vooral om gekomen. En ik hoefde niet de gebruikelijke 50 Euro te betalen. Andere patienten werden weer naar huis gestuurd. In Nairobi maakte ik een mooie ceremonie me: een stuk of tien van onze Mill Hill groot-seminaristen legden hun missionaire eed af, de voorbereiding voor hun wijding. Het waren jongemannen uit West Afrika, Congo, Oost Afrika en India. Het deed me goed de globalisering van Mill Hill te zien in de kameraadschappelijke omgang van al die verschillende lui.

Het verkeer in Nairobi is elke keer chaotischer. De verkeerslichten bij een grote rotonde springen wel van rood op groen op rood op groen, maar niemand trekt er zich wat van aan. De aanwezige politieman staat verbouwereerd in zijn neus te peuteren. Dit lijkt mij trouwens een goed beeld van ons Kenia te zijn: de wetten zijn er wel, maar ze worden niet toegepast. Het zou best kunnen dat het ook zo met de anti-homo wetten in Oeganda zal gaan. Met het maken van een wet stelt men zijn geweten gerust.

Onlangs las ik een artikel waarom het voor Europeanen moeilijk is om gelukkig te zijn. Bij hen heerst de gedachte dat je alles onder controle kunt krijgen als je maar hard genoeg probeert. En in de media leeft het idee dat mislukken abnormaal is; en dat veroorzaakt veel stress. Ook heeft men in Europa overal recht op, en hoeft men dus nergens dankbaar voor te zijn. Ik weet niet in hoeverre dat waar is, maar bij de mensen hier is het haast het tegenovergestelde; en dus hebben de meeste mensen goeie zin; van stress of burn out hoor je hier nooit. Opmerkelijk vind ik ook dat de mensen hier veel meer herrie van elkaar kunnen verdragen. Hier heb je geen isolerende muren, geen geluidswallen en geen decibellen-tellers. Die er over klagen zijn Europeanen. Ik heb wel eens geschreven over het ontbreken van verzekeringen; maar waar wij dan verzekerd zijn doen ze hier een beroep op hun medemensen, en soort noaberschop zoals in Twente; hier heet het “Harambee”. Het werkt aardig goed.

’s Avonds kijk ik graag naar natuurfilms op de TV, bij voorbeeld hoe snoezige monniken-aapjs de babietjes van eekhoorntjes oppeuzelen. In een woord, het gaat goed met mij. Hopelijk met jullie allemaal ook. Tot een volgend bericht.

Hans